Staatssteun betekent dat de overheid geld of andere hulp geeft aan bedrijven. Dit kan direct, bijvoorbeeld met subsidie. Het kan ook indirect, bijvoorbeeld met een belastingvoordeel. De Europese Unie wil dat bedrijven eerlijk met elkaar kunnen concurreren. Daarom zijn er regels voor staatssteun.

Staatssteun is meestal verboden. De reden is dat sommige bedrijven daardoor een voordeel krijgen. Andere bedrijven kunnen dan moeilijker eerlijk concurreren op de Europese markt. De-minimissteun is wel toegestaan. Deze steun is niet hoog genoeg om de concurrentie op de Europese markt te verstoren.

Dienst van Algemeen Economisch Belang

Een steunmaatregel wordt niet als staatssteun aangemerkt als deze alleen wordt gebruikt om het uitvoeren van een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) te compenseren. DAEB zijn economische activiteiten die het algemeen belang dienen, maar die de markt niet (of niet onder gelijke voorwaarden) zou uitvoeren. Bijvoorbeeld activiteiten op het gebied van kwaliteit, veiligheid, betaalbaarheid, gelijke behandeling en brede toegankelijkheid.

Als de overheid een onderneming wil belasten met de uitvoering van een DAEB, moet dat gebeuren via een toewijzingsbesluit. Het besluit beschrijft de verplichtingen van de onderneming die de DAEB uitvoert en van het ministerie dat de opdracht geeft. Beide partijen ondertekenen het besluit.

De-minimissteun

De-minimis is een vorm van staatssteun die overheidsorganisaties kunnen verlenen.

Er zijn twee soorten de-minimis: reguliere de-minimis en DAEB de-minimis.

Reguliere de-minimis

Een organisatie mag binnen een periode van 36 maanden maximaal €300.000 aan reguliere de-minimissteun ontvangen. Het bedrag mag zijn verdeeld over verschillende subsidies.

DAEB de-minimis

Een organisatie mag daarnaast ook binnen een periode van 36 maanden maximaal €750.000 aan DAEB de-minimissteun ontvangen. Ook hier geldt dat dit bedrag mag worden verdeeld over verschillende subsidies.

Cumulatie

De twee de-minimissoorten en de twee 36-maandsperioden staan in principe los van elkaar. Maar toch is het mogelijk om reguliere de-minimis en DAEB de-minimis tegelijkertijd te ontvangen. De steunbedragen mogen bij elkaar worden opgeteld. Dit heet cumulatie. Er kan dan in totaal voor maximaal €1.050.000 aan de-minimissteun door een organisatie ontvangen worden.

Cumulatie is niet standaard mogelijk. Het gebruik van de-minimis en de keuze van een de-minimissoort of de combinatie van beide soorten worden door de overheidsorganisatie bepaald. Dit staat in de subsidieregeling of de subsidiebeschikking.

De-minimisverklaring

Bij het aanvragen van een subsidie die deels of volledig wordt verleend met de-minimissteun vult de aanvrager een de-minimisverklaring in. Dit gebeurt via een formulier of online als onderdeel van de subsidieaanvraag. DUS-I bepaalt welke methode wordt gebruikt. Voor reguliere de-minimis en DAEB de-minimis zijn aparte verklaringen nodig.

In de de-minimisverklaring verklaart de aanvrager met welke organisaties de aanvrager verbonden is. Een uitleg over deze verbondenheid staat verder op deze pagina. De aanvrager verklaart ook hoeveel de-minimissteun de aanvrager en de verbonden organisaties de afgelopen 36 maanden samen hebben ontvangen.

De-minimisruimte

De de-minimisruimte van een organisatie is het resterende bedrag dat nog gebruikt mag worden om een nieuwe subsidie met de-minimissteun te verlenen. De de-minimisruimte is het verschil tussen het maximale de-minimisbedrag en de al ontvangen de-minimissteun van de aanvrager in de afgelopen 36 maanden.

De start van de 36-maandsperiode van een subsidie begint op de datum van de verleningsbeschikking. Dit is meestal eerder dan de datum waarop u het geld op de bankrekening ontvangt. De de-minimisruimte van een nieuwe subsidie hangt dus af van de data en bedragen van eerdere subsidies die met de-minimissteun zijn verleend.

Voorbeeld de-minimisruimte

Een organisatie heeft de afgelopen 36 maanden twee subsidies met reguliere de-minimissteun ontvangen: een subsidie van DUS-I en een subsidie van een andere overheidsorganisatie. De totale verleende reguliere de-minimissteun van beide subsidies opgeteld is €100.000. Dit betekent dat de aanvrager €200.000 reguliere de-minimisruimte over heeft.

Berekening
Plafond reguliere de-minimis
Ontvangen reguliere de-minimis afgelopen 36 maanden
€300.000
€100.000 -/-
Reguliere de-minimisruimte aanvrager €200.000

De organisatie vraagt vervolgens een nieuwe subsidie voor €250.000 bij DUS-I aan. De volledige subsidie wordt als reguliere de-minimissteun beoordeeld. De organisatie heeft echter nog maar €200.000 reguliere de-minimisruimte over zoals blijkt uit de berekening hierboven. Dit betekent dat DUS-I voor de nieuwe subsidie slechts €200.000 mag verlenen als de-minimissteun. Het overige bedrag van €50.000 mag DUS-I niet verlenen. De organisatie moet dit zelf financieren.

Een wijziging van de hoogte van de de-minimissteun heeft ook effect op de de-minimisruimte. Bij een verhoging van het steunbedrag zal DUS-I eerst een nieuwe verklaring opvragen om de ruimte te bepalen. Bij een verlaging wordt dit alleen in de herzieningsbeschikking medegedeeld. DUS-I registreert elke wijziging in het Europese de-minimisregister eAIR.

Verbonden organisaties

Als een aanvrager een bepaalde zeggenschapsband heeft met andere organisaties dan worden deze organisaties tot de aanvrager gerekend. Een voorbeeld van een zeggenschapsband is een concern dat uit een holding en twee werkmaatschappijen bestaat.

Alle verleende de-minimissteun van de aanvrager en van alle verbonden organisaties moet bij elkaar worden opgeteld. Dit betekent dat als een verbonden organisatie de afgelopen 36 maanden de-minimissteun heeft ontvangen, deze de-minimissteun ten koste gaat van de de-minimisruimte van de aanvrager.

In de de-minimisverklaring moet de aanvrager aangeven met welke organisaties de aanvrager verbonden is. DUS-I kan eventueel de verbondenheid controleren als er twijfels bestaan over de ingevulde informatie, onder andere aan de hand van de concernrelaties die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel staan.

Voorbeeld verbonden organisaties

De aanvrager is met twee andere organisaties verbonden. De aanvrager heeft de afgelopen 36 maanden €100.000 reguliere de-minimissteun ontvangen, de eerste verbonden organisatie €90.000 en de tweede verbonden organisatie €70.000. Omdat de totaal ontvangen de-minimissteun van de verbonden organisaties aan de aanvrager wordt toegerekend, heeft de aanvrager nog maar €40.000 reguliere de-minimisruimte over.

Berekening

Plafond reguliere de-minimis:

Ontvangen reguliere de-minimis afgelopen 36 maanden:   

€300.000

€260.000 -/-

Aanvrager 

Verbonden partij 1

Verbonden partij 2 

€100.000

€90.000

€70.000

Reguliere de-minimisruimte aanvrager€40.000

In het vorige voorbeeld vraagt de organisatie €250.000 aan voor nieuwe subsidie. De organisatie heeft €40.000 reguliere de-minimisruimte, zoals blijkt uit de berekening hierboven. Dit betekent dat DUS-I voor de nieuwe subsidie slechts €40.000 mag verlenen. De organisatie moet de overige €210.000 zelf financieren.

Samenwerkingsorganisaties

Bij sommige subsidies is er sprake van een samenwerkingsverband. De aanvrager treedt op als penvoerder die namens alle betrokken samenwerkingsorganisaties subsidie aanvraagt. Een samenwerkingsorganisatie is dus niet hetzelfde als een verbonden organisatie.

Bij de-minimissteun wordt elke samenwerkingsorganisatie als een aparte aanvrager beschouwd. Dit betekent dat iedere samenwerkingsorganisatie een eigen maximumbedrag van €300.000 voor reguliere de-minimis en €750.000 voor DAEB de-minimis heeft. Elke samenwerkingsorganisatie moet dus zelf ook voldoende de-minimissruimte hebben om de-minimissteun te mogen ontvangen.

De penvoerder verzamelt de de-minimisverklaringen van alle samenwerkingsorganisaties en stuurt deze samen met de eigen de-minimisverklaring naar DUS-I.

Net als bij de aanvrager wordt voor een samenwerkingsorganisatie de de-minimisruimte bepaald. Ook deze de-minimisruimte wordt bepaald door de totale de-minimissteun die de samenwerkingsorganisatie en de aan de samenwerkingsorganisatie verbonden organisaties de afgelopen 36 maanden hebben ontvangen.

Europees de-minimisregister

Sinds 1 januari 2026 moeten overheidsorganisaties zoals DUS-I de de-minimissteun die zij verlenen in het Europese de-minimisregister eAIR registreren. Dit geldt voor zowel reguliere als DAEB de-minimissteun.

Naast het bedrag in de de-minimisverklaring gebruikt DUS-I ook het bedrag van de eerder verleende de-minimis volgens eAIR om de de-minimisruimte te bepalen. Als het bedrag volgens eAIR afwijkt van het bedrag volgens de de-minimisverklaring kan DUS-I contact opnemen met de aanvrager. De informatie uit het register is in principe leidend.

De volgende informatie over verleende de-minimissteun wordt gepubliceerd:

  • Gegevens over uw organisatie:
    • Naam
    • KVK-nummer
    • Sector
  • Gegevens over de steunverlening:
    • Organisatie die de steun verleent
    • Soort steun: reguliere de-minimis of DAEB de-minimis
    • Bedrag de-minimissteun
    • Datum verlening.

Deze informatie blijft tien jaar in het register staan.

Algemene groepsvrijstellingsverordening

De algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) maakt het voor EU-lidstaten mogelijk om staatssteun te verlenen zonder voorafgaande toestemming van de Europese Commissie. Onder deze regeling kan steun direct worden toegekend aan een breed scala aan categorieën, zoals:

  • Regionale steun
  • Steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie
  • Opleidingssteun
  • Steun voor sport- en recreatieve infrastructuur